Otto Dix (Gera, 2 december 1891 - Singen, 25 juli 1969) is een Duits kunstenaar uit de 20ste eeuw.
Otto Dix volgde een opleiding van vier jaar tot decoratieschilder. Dix meldde zich bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 als vrijwilliger bij het Duitse leger, maar na 1918 heeft hij in een aantal monumentale werken zijn afschuw van de oorlog en de gevolgen daarvan onverbiddelijk getoond. Na de oorlog studeerde hij af aan de kunstacedemie in Dresden (1919-1921). In de jaren '20 groeide zijn aversie tegen de heersende clichés uit tot een sarcasme waarmee hij de burgerij op de kast joeg. Toen de nazi's in Duitsland aan de macht kwamen werd het werk van veel kunstenaars als ontaard bestempeld en vele kunstenaars verloren hun baan als professor, leraar of adviseur. Dit overkwam ook Otto Dix. In 1937 beval Joseph Goebbels maar liefst 260 werken te confisqueren. Veel werken werden ter veiling in Luzern aangeboden. Wat men niet wist te verkopen, werd in 1939 in een Berlijnse brandweerkazerne verbrand. Werken als Kriegskrüpel en Schützengraben gingen daar in vlammen op, maar een van zijn meest monumentale werken Der Krieg wist hij te redden door deze in een molen op te slaan. Ondanks de zeer beperkte mogelijkheden om als kunstenaar te kunnen werken blijft Dix in Duitsland wonen. De kunstenaar trok zich terug in Hemmenhoven aan het Bodenmeer. Na de oorlog kon Dix weer aan de slag als leraar. Otto Dix experimenteerde met het kubisme en het expressionisme, maar keerde terug tot het gebruik van traditionele stijlelementen uit de Duitse Renaissance. Otto Dix overleed in 1969 aan een hersenbloeding.